Tijdens zijn rondreis door Congo houdt Rudi Vranckx een persoonlijk dagboek bij, waarin hij zijn bedenkingen, mijmeringen en ervaringen noteert. Hier kan je enkele dagboekfragmenten lezen, chronologisch per aflevering.
Foto’s werden gemaakt door Joris Vermost, Lou Berghmans, Ilse Nollet, Ariane Mertens, Nahid Shaikh, Joris Joosten.
Tekstfragmenten zijn gelicht uit het boek van Rudi Vranckx, “De Ontdekking van Congo” (Uitgeverij Meulenhoff-Manteau).
Ook te koop via de VRT-webshop.
Tags: Dagboek

Aankomst in Afrika
Het is warm, maar niet heet. Het kleeft als een vochtige doek aan mijn vel. Het ogenblik dat ik de airconditioning van het vliegtuig verlaat, omhelzen de Tropen mij, om me niet meer los te laten. Op de tarmac ruik ik de kerosine. En nog iets anders. Het zware aroma van bloemen of planten die ik niet kan thuisbrengen, de zoete weeë geur van compost en ontbinding. Overal zwoegen zwarte mannen, ze duwen en trekken om een voordelig plekje te veroveren aan de band waarop de bagage ronddraait. Ze ruiken. Zwarten hebben een andere lijfgeur dan blanken. Veel intenser, kruidiger, als een mengsel van onbekende specerijen, soms aantrekkelijk, soms afstotelijk. Zij vinden trouwens ook dat wij ruiken, naar dood vlees.

Met de Rafiki over het Tanganyikameer
Op het benedendek gelijkt de Rafiki meer op een gigantisch sardienenblik. De passagiers zijn op een natuurlijke wijze geordend, bij mekaar gekneld. Op het voorplecht zitten de jonge mannen die alleen reizen, samen. Ze discussiëren urenlang met luide stem. Ik kan nog niet inschatten wanneer de Congolezen écht ruzie maken. Ze lachen en grollen maar als ik hen iets vraag, volgt er een klaagzang over het bestaan. Eén van hen is een student. Hij komt uit Kisangani in het hart van Congo en is onderweg naar de universiteit in Lubumbashi, al twee weken lang. In Congo ga je niet zomaar even naar huis. Reizen wordt hier niet in afstand gemeten, maar in duur, in reistijd.

Kalemie, het oude Albertville
Het allereerste wat een bezoeker ziet in Kalemie is de kerk, die voor de blanken gebouwd was. Het is een elegant sprookjesachtig bouwsel halverwege de groene heuvel. Gebouwd door de missionarissen om de eeuwen te doorstaan torent de kerk boven de koloniale villa’s uit. Het lijkt wel een witte kies. De villa’s liggen kris kras verspreid. Van op afstand zijn ze van een droevige schoonheid. Albertstad werd vroeger geroemd als de parel van het Tanganyikameer; mij doet het denken aan de stadjes bij het Comomeer of aan de Italiaanse riviera met al zijn bloemenpracht. Maar wie van dichtbij kijkt ziet het verval, de verwaarlozing, het afbrokkelen zoals bij rotte tanden.

Kabubu, een traditioneel worstelgevecht
“De Vier Hoeken, daar moet je zijn. Op zondagnamiddag, want dan is het Kabubu.” … Een traditionele worstelpartij. “Je loopt geen enkele risico, dit is zoals een sportwedstrijd”, verzekert hij me.
Een bijeenkomst van Congolezen, zonder een kakofonie van geluiden, is onmogelijk. Dat heb ik al begrepen. Soms lijkt het alsof elk piepje, elke bromtoon en alle verklikkerssignalen tegelijk moeten afgaan. Ik word er bijwijlen helemaal gek van. Altijd weerklinkt ergens het overstuurde geruis van Congolese muziek of van religieuze gezangen. De zwarten lijken het zelfs niet op te merken. Alleen de stilte maakt hen onrustig. De Vier Hoeken worden overspoeld door een hels kabaal. Er staat een zee van mensen die roept, juicht, tiert, brult.
De kinderen van Mtoa
Een blanke is een kwetsbaar wezen in deze streken. Ik heb dan ook steeds mijn eigen voedsel mee en drinkwater in plastieken flessen. De lege flessen zijn erg gegeerd. Bij ons worden die weggegooid, voor hen heeft de fles meer waarde dan het water. Alles wordt hier gerecycleerd, een afvalberg is er niet in de brousse. De jonge vrouwen verdringen zich rond het afval. De kinderen likken gretig de olie en de restjes uit de lege sardienenblikjes. Tientallen kinderen volgen me joelend op mijn tocht door het dorp, blootsvoets.

Dichtgeslibte straten
Voor de kolonisatie waren er amper voertuigen op wielen in dit deel van Afrika. Uiteraard waren er dan ook geen wegen. Romeinse heirbanen, om legers of karren met handelswaar snel over grote afstand te verplaatsen, kenden ze niet. Pas toen de blanken de eerste auto’s invoerden, groeide de nood aan verharde wegen. In Kalemie is die prekoloniale toestand langzaam aan teruggekeerd… Zelfs de haven slibt steeds verder dicht door de erosie van de heuvels. Dan wordt dit een immens dorp waar nog alleen de vissers met hun prauwen in en uit varen. Als een soort onzinkbaar Atlantis gekneld tussen het oerwoud en het meer, bedolven onder de rode modder. De betonwegen in de stad uit de tijd van de kolonie liggen nu op veel plaatsen al een meter diep bedolven onder de smurrie.
Tags: Dagboek

Bukavu, het verloren paradijs
Un coup de foudre. Liefde op het eerste gezicht. Deze plek moet zowat het paradijs van de kolonialen geweest zijn… Ik zit op het terras van hotel Orchid in Bukavu in een brede fauteuil van Vlaamse eik, of alleszins een imitatie in Congolees hardhout. Het terras kijkt uit over het Kivumeer. Onder mij wentelt een stenen pad zich door een perfect onderhouden tuin vol bloemenpracht tot aan het water… Bukavu, destijds Costermansstad genaamd, strekt zich uit over vijf langgerekte schiereilanden, die als de vingers van een hand water scheppen in het meer. Het uitzicht is perfect en het verandert ook voortdurend… Ik kan heel goed begrijpen dat de blanken dit met veel tegenzin hebben verlaten. “Wie in Bukavu heeft gewoond in de goede tijd, zal altijd heimwee blijven koesteren.”
Kindermisbruik
Majoor Honorine is gekend in de sloppenwijken van Bukavu, gerespecteerd door velen, gevreesd door anderen. In haar eentje is ze gestart met een afdeling van de politie voor de bescherming van kinderen. “Dit komt allemaal door de steeds weerkerende oorlogen. Kinderen worden gerekruteerd tot soldaat of moeten meevechten in milities. Ze worden seksueel misbruikt of moeten in de mijnen werken, die door de krijgsbendes worden geëxploiteerd.” De majoor begrijpt zelf niet hoe het zover is kunnen komen. Maar ze wil dat het stopt. “Ik ben een vrouw en ik heb zelf kinderen. Dit zijn kinderen zoals de mijne en vrouwen zoals ik. Ik moet dit werk doen.”
Karate in Goma
Elke zondagochtend bij het krieken van de dag stijgt de oranje zon als een bol langzaam omhoog door de smalle neogotische spitsramen van het kerkgebouw en werpt haar licht op een vreemd spektakel. De muren weerkaatsen geen religieuze gezangen meer maar oosterse krijgskreten. Een vijftigtal mannen helemaal in het wit gekleed maken sierlijke gebaren en delen krachtige slagen uit. De omgeving lijkt hen niet te deren. Op hun blote voeten lopen ze de gestolde lava op. Meester Fi leidt de training en leert hen nieuwe technieken. Het laatste wat ik hier verwacht is een karateclub.
Meester Fi noemt zichzelf een trouwe katholiek. Hij gebruikt de karate om op te voeden en jongeren waarden bij te brengen.
Madame Merlo
“Heb je madame Merlo al ontmoet?” Telkens ik een oudgediende van Kivu ontmoet, stellen ze dezelfde vraag. Altijd klinkt er iets afwachtend in de stem, alsof ze mijn reactie willen peilen. Het intrigeert me. Nicole Merlo is een mythe, ze heeft alle oorlogen meegemaakt, alle gruwelen gezien en koppig het hoofd geboden aan alle leiders…
Nicole Merlo is me komen ophalen met haar jeep. Naast me zit iemand die in Britse verhalen een kranige oude dame zou worden genoemd, anderen zouden het een feeks noemen. Beide omschrijvingen doen haar tekort. Ik heb zelden zo’n koppige vrouw gezien, iemand die je nooit tot vijand wil. Toch lijkt ze fysiek geknakt. Ze oogt vermoeid en fragiel, ondanks haar piratenbroek, gestreepte trui en oranje bandana op het hoofd. Ze leunt op een wandelstok. De sjaal moet de gevolgen van een chemotherapie verbergen. Nicole Merlo is 68. “Wat moet komen, staat zo beschreven,” knikt ze. “Maar voor het zover is, moet alles weer worden als vroeger. Ik geef nooit op, nooit!” (nvdr: Nicole Merlo is begin dit jaar overleden.)
Op zoek naar de gorilla’s
“Je moet ten allen prijze zeven meter afstand houden! Je moet een mondmasker dragen en je mag geen bruuske bewegingen maken.” Jean-Marie Serundori is mijn beschermengel in het oerwoud. Hij is één van de oudste parkwachters… “”Dat is niet om je te beschermen tegen de dieren, maar om te zorgen dat de gorilla’s geen griep of longontsteking opdoen bij de mensen. Zij zijn niet immuun voor onze ziektes. De hele familie zou kunnen sterven,” verklaart Jean-Marie. Plots wordt met veel gedruis het struikgewas opzij geduwd en richt hij zich op, de grote zilverrug Kabirizi. Ik wil hem aanraken en tegelijk ook op de vlucht slaan. Zo’n kracht straalt hij uit. Ik mag hem niet uitdagen en hem in de ogen kijken. Licht gebogen stap ik langzaam achteruit, zoals ik het de Rangers zie doen. Ik kan hem slechts tersluiks aankijken. Kabirizi observeert een tijdlang zijn verre neef en verdwijnt dan zonder haast opnieuw in het oerwoud… Als de avond valt, kamperen we op een hoogplateau met zicht op de vulkaan. De mist kruipt omhoog langs de flanken. Ergens ginder achter is Kabirizi zijn nest aan het bouwen, net zoals het al duizenden jaren gebeurt. Voor het eerst in maanden voel ik een rust over mij komen.
Tags: Dagboek
De stad van Stanley
De Congostroom glinstert als een zilveren spiegel. De maan wordt verdreven door de zon en blijft nog even gevangen in het wateroppervlak. Nu verandert het licht snel, de wereld kleurt groen en bruin. Het groen van het oerwoud, ondoordringbaar, dreigend. Het bruin van het water dat alle leven als slib meesleurt meer dan vierduizend kilometer ver, dwars door het duistere continent. Zo noemde Henri Morton Stanley, de ontdekkingsreiziger het verslag van zijn tocht dwars door Congo. Het is een beeld dat ik niet meer mag gebruiken omdat het bol staat van Westerse hoogmoed. Alsof Stanley en na hem Leopold II en België het licht gebracht hebben in deze duisternis. Na meer dan honderd jaar geschiedenis struikelen we nog steeds over onze eigen woorden. Maar dit is tenslotte ook een beetje een jongensdroom en ik wil Kisangani, de stad die zijn naam gedragen heeft, Stanleystad, naderen zoals hij, behoedzaam, langs de rivier.
De moskee van Kisangani
Even twijfel ik of dit wel het juiste land is. Het eerste gebouw dat mij opvalt in Kisangani is niet de kathedraal, zoals overal elders in Congo, maar de moskee. Het is een grote witte kubus met ramen in de vorm van tulpen. Moorse spitsbogen en kleine ranke minaretten, afgetopt met een groene bol in de vorm van een ui… De imam Sjeikh Hamza is een gastvrij man. “Je komt uit België? Dat doet mij plezier. Daar worden veel moskees gebouwd, nietwaar? Dat betekent dat de moslims goed geïntegreerd worden bij jullie. Natuurlijk moeten ze wel jullie wetten en gebruiken respecteren,” voegt hij er haastig aan toe. De imam is op de hoogte van de gevoeligheden, me dunkt.
Leven op de stroom
Stanleystad, de stad trekt me al het grootste deel van mijn leven op een onverklaarbare manier aan. In mijn verhitte jongensfantasie was het de ultieme geheimzinnige plek. De stad op de frontlijn met het oerwoud. De plek ook waar die duistere oorlogsverhalen zich afspeelden. Later hoorde ik de naam steeds met ontzag uitspreken door de para’s. De jaren zestig waren voor mij de verhalen van Batman, Vietnam, de reizen naar de Maan en de oorlogen in Congo, Stanleystad…
Het liefst wandel ik langs de oever van de rivier. Hier leeft Kisangani. Er worden reuzenprauwen gelost en geladen. Sommige zijn wel tien meter lang en twee meter breed. Uit welke immense bomen worden die gekerfd?
Drijvende dorpen
Het lijkt alsof Kisangani de barometer is van de levenskracht van Congo. Als de oorlog stopt, bloeit de stad weer open. Er varen opnieuw boten op de Congostroom. In de tijd van de kolonie deden de ferryboten er minder dan een week over om tot in Kinshasa, het toenmalige Leopoldstad te varen, meer dan 1700 kilometer. De boten op de rivier zijn nu drijvende dorpen, immense ijzeren vlotten, die vastgeklonken worden aan een duwboot. Het ruim wordt volgestouwd met handelswaar en bovenop het vlot leven wekenlang honderden mensen tussen en boven de containers, motorfietsen, samen met hun kippen en geiten.
Tshopo
Albert, een oude Simba-commandant, neemt me mee naar Tshopo, een waterkrachtcentrale aan de rand van de stad. De rivier stort er zich met veel gedruis in de diepte. Over het water ligt een ijzeren brug die zo uit het decor van een oude oorlogsfilm lijkt te komen. Motorfietsen en jeeps kruipen gestaag over de wankele houten balken die op de stalen constructie rusten. Tussen de moto’s door duwen voetgangers fietsen volgestouwd met groenten naar de markt… “Tijdens de rebellie werden hier de lijken in het water gegooid. Er was geen kerkhof en de lichamen begraven, dat deden we niet. De doden verdwenen gewoon in de Tshopo. Op sommige plaatsen kleurde het water rood van het bloed.”
Tags: Dagboek
De ongekroonde koning
“Enchanté excellence.” Ik weet niet goed welke houding ik me moet geven. Het is dan ook een ongewone gastheer die me opwacht op de luchthaven van Lubumbashi. Bestudeerd nonchalant leunt hij tegen de motorkap van zijn Hummer, zo’n monumentale terreinwagen, het lichtere neefje van de gepantserde Amerikaanse patrouillewagens die ik zo goed ken van in de straten van Bagdad. De man is naar verluidt een liefhebber van snelle en stoere wagens; jongens en hun speelgoed, nietwaar.
Hij is gekleed in een vlot hagelwit pak, met daaronder een strakke zwarte t-shirt. Het is een man waar ik de meest tegenstrijdige verhalen over gehoord heb: charismatisch, charmant, maar ook met een duister verleden : Moïse Katumbi, de gouverneur van Katanga…
Met de helicopter van de gouverneur
“Ik zal je het échte Katanga laten zien, dit weekend ga ik met vrienden naar mijn geboortedorp. Ga mee.” De gouverneur dringt aan. Katumbi is een man met vele gezichten. Een Afrikaanse chef moet tenslotte ook zijn eigen clan mee laten profiteren van zijn status en rijkdom. Die welvaart is vaak maar tijdelijk en verdwijnt meestal samen met de macht van de chef. Denk maar aan de protserige paleizen van Mobutu in Gbadolite, nu bijna onbereikbaar midden in het Evenaarswoud. “Ik zal je mijn persoonlijke nummer geven om af te spreken,” knikt Moïse Katumbi. Mijn mobieltje trilt, op het scherm verschijnt een nummer: mr. K…
Hij doet me een beetje denken aan een renaissancevorst, die zich als een verlicht heerser en mecenas wil tonen.
Uranium voor de Amerikanen
Het uraniumerts van de mijn in Shinkolobwe was essentieel voor de atoombommen van de Amerikanen op het einde van de Tweede Wereldoorlog. Zonder het erts uit Congo, zou de bom op Hiroshima nooit gevallen zijn…
Na de onafhankelijkheid hebben de Belgen de mijn verzegeld met beton. Om de omgeving te beschermen tegen radioactieve vervuiling en opdat het erts niet in verkeerde handen zou vallen. Officieel is de mijn gesloten, maar illegale creuseurs blijven graven, zonder enige vorm van bescherming. Op een bepaald ogenblik stort zelfs een deel van de betonnen beschermplaat in. Nog steeds is Shinkolobwe gehuld in een waas van geheimzinnigheid. Verhalen over radioactieve vervuiling, ziekte en vooral uraniumsmokkel worden in de doofpot gestopt.
De terril van Lubumbashi
Als een zwart beest overheerst het de stad. Een torenhoge terril, een slakkenberg van sintels en afval van hoogovens, met daarnaast de grootste fabriekschouw die ik ooit heb gezien als symbool van de kolonisatie. Ik kan Lubumbashi niet verlaten zonder het oude hart van Katanga te bezoeken, de Gécamines, de vroegere Union Minière. Congo en deels ook België is gebouwd op wat hier uit de bodem is gehaald…
Ondanks een moeilijke start zou het bedrijf superwinsten maken. De bomen leken tot in de hemel te groeien. De voornaamste aandeelhouder was de Société Generale, waar naast de Belgische haute finance ook het koningshuis zijn deel in had. In twintig jaar tijd steeg de waarde van een aandeel van 550 frank naar bijna negenduizend frank. De kerk stuurde missionarissen, de Union Minière ingenieurs. Hun baas was de échte onderkoning van Congo.
Kolwezi, het koninkrijk van Forrest
Ik ben uitgenodigd door George Forrest, hij wordt wel eens de peetvader van Katanga genoemd… Hij wil mij zijn kleine koninkrijk laten zien. In Kolwezi liggen de wortels van zijn familie en zijn zakenimperium. Is dit nu de man waar in rapporten voor gewaarschuwd wordt, de kop van jut van de NGO’s? Een man die zonder scrupules de rijkdommen van Congo weggraaft. Je gaat bij de duivel slapen, fluisterden sommige mij vooraf toe…
Met de helikopter cirkelen we boven de stofwolken van de hoogvlakte. De openluchtmijnen zijn als kraters in een maanlandschap. Vrachtwagens kronkelen zich als reuzenmieren langs de schuine wanden in een spiraal naar de bodem. Bulldozers klauwen de schier onuitputtelijke voorraad ertsblokken uit de bodem. “Kijk!” wijst Forrest trots aan vanuit de lucht. “Zie hoe ordelijk en professioneel, als een uurwerk dat perfect afgesteld is. Daar beneden rijdt 50 miljoen dollar aan materiaal rond. Dat is moderne mijnbouw, dat is de toekomst voor Congo.”
Tags: Dagboek
Met de trein naar Matadi
De tocht die ik wil ondernemen is hopelijk de moeite waard, hoewel het een ervaring is die iedereen me afraadt. Maar wie, al is het maar voor korte tijd, het lot van de Congolezen wil delen en begrijpen moet de trein nemen. De verbinding tussen Kinshasa en de havenstad Matadi is altijd al de toegangspoort van Congo geweest. ”Zonder trein is Congo als kolonie geen penny waard”, verklaarde Stanley.
Tot mijn grote verbazing vertrekt de trein redelijk stipt… De meeste wagons zijn volgestouwd met passagiers. Studenten die naar de universiteit komen en vooral forensen die elke dag op- en af naar hun werk reizen. De basisprincipes van het dagelijks leven lijken hier niet veel anders dan in het Noordelijk halfrond, alleen de omstandigheden verschillen.
Route Nationale 1
De passagierstrein rijdt maar tot Kasangulu, een fractie van de afstand tot Matadi. Vanaf hier moet ik over de weg reizen. De ‘Route Nationale 1’ of moet ik ‘route unique’ zeggen is de beste weg in Congo. Honderden kilometers asfalt die redelijk goed onderhouden lijkt. Voortdurend denderen er vrachtwagens voorbij volgestouwd met zakken bloem, gelost in de haven van Matadi, of met cement uit de fabriek halverwege naar de hoofdstad.
In een scherpe bocht ligt een gekantelde truck… Elke dag vindt er op deze weg minstens één zwaar ongeluk plaats. De meeste vrachtwagens zijn afdankertjes. Elke rit is een uitdaging, op de bestemming aankomen zonder pech is een overwinning.
Je kan de geschiedenis van deze weg vertellen aan de hand van de verwrongen en verroeste wrakken. Zoals bij de jaarringen van een boom, komen er steeds nieuwe bij. Een autowrak wordt niet geborgen in Congo, het wordt afgekloven… De wrakken die er al het langst liggen, zijn bijna overwoekerd door het hoge gras, zoals de botjes van een oud karkas.
Matadi, stad aan de stroom
Matadi ligt als een opengeklapte mosselschaal tegen de heuvelflanken. De Congo is hier een machtige stroom. Zelfs boven op het belvedère voel ik de kracht… De rotsen weerkaatsen de hitte. Ze houden de warmte bij als een broeikast. Toch is de stad een aangename verrassing. Dat was allicht ook het gevoel van generaties kolonisten. Matadi was het eerste beeld van Congo dat ze voor ogen kregen. Het lijkt wel een mediterrane havenstad.
Het is een bezige stad alsof de inwoners hier één versnelling hoger leven dan elders in Congo. De straten maken hoekige kronkels naar de haven toe. Rechthoekige betonnen platen liggen als reuzendominostenen tegen mekaar geschoven. De huizen en winkels lijken nog maar net geschilderd, frambozenrood, koningsblauw, zalmroze… Voor de pas aangekomen kolonisten een exotisch beeld en toch vertrouwd.
Hotel Métropole
Ik wil in Hotel Métropole overnachten. Dat is wat generaties kolonisten gedaan hebben, wanneer ze in Matadi van de Congoboot stapten. Het is makkelijk te vinden, gelegen tegenover de oude gouverneurswoning en de kathedraal. Een stadsplan of architectuur is vaak niet meer dan een blauwdruk van de macht. Hotel Métropole is een massief gebouw in ruwe steen, vijf verdiepingen hoog, oninneembaar als een middeleeuwse burcht. De smalle driehoekige binnenkoer is opengewerkt met een Romaanse zuilengalerij. Ik verwacht dit in Jeruzalem, in de 19e eeuwse pelgrimsverblijven van een of andere broederorde, niet in Congo. De binnenafwerking is prachtig. De doorkijkjes zijn afgezoomd met kunstig traliewerk. De art deco krullen keren terug in elke versiering van de monumentale traphal. Hotel Métropole straalt kracht en vitaliteit uit…
In Hotel Métropole wordt nu gestaakt. Het personeel heeft al maanden geen loon meer ontvangen. Ik tref een delegatie van de bedienden aan op de binnenkoer, waar ze wachten. Op geld, op erkenning, op beterschap? Ik weet het niet. Het is overal hetzelfde verhaal. Vanaf de eerste dag van mijn reis in Kalemie in het Oosten tot hier vlakbij mijn eindpunt. In dat opzicht is Congo dan toch één land.
De baobab van Stanley
Café Stanley, het enige echte. Zo staat het in grote letters geschilderd op een blauwe muur met reclame voor primusbier. Het lijkt niets bijzonders, maar voor mij is het dat wel. Een nauw gangetje leidt me naar een binnenkoer. Een schutterig opschrift verwijst me door naar het Stanleymuseum. Het is een armtierige hut met wat fotocopies van zijn reisverslagen, een schets van de Lady Alice en een geschilderd portret op hout, dat is aangetast door termieten. Dit is de toeristische trekpleister in een stad waar geen toeristen komen…
Zoals in elk museum dat zichzelf respecteert is er dus ook een café. Gele tafeltjes met gele plastieken stoelen en rode parasols van coca cola… Ik voel me opgewonden als een kind, want ik zit onder de baoboab van Stanley. Hét moment waar ik al jaren op wacht… Het is hier dat volgens de legende Stanley de nacht heeft doorgebracht, op een hoogte uit vrees voor de slangen. Het is een mooi verhaal, maar allicht ook niet meer dan dat, een verhaaltje. Stanley heeft in 1877 maar korte tijd verbleven in Boma en bracht volgens zijn dagboeken een aangename nacht door bij zijn vriendelijke Engelse gastheer, voor het eerst in lange tijd in een goed bed. Stanley zou wel gek geweest zijn om dat te ruilen voor een boomtak.
Tags: Dagboek
Welkom in Kinshasa
“Welkom in Kinshasa…” Buiten staat mijn taxichauffeur te wachten. Stipt op tijd. De man zal me nog vaker verbazen. “Mijn voornaam is Legrand, mijn VIP-auto staat ginds.” Enigszins verontrust zoek ik een zwarte limousine of een ander al te opvallend voertuig. Maar de VIP-auto is een grijze tweedehands Toyota. De VIP-behandeling bestaat erin dat hij de wagen niet volstouwt met een tiental andere passagiers bovenop mijn schoot.
Met stijgende verbazing zie ik hoe in sommige geel-blauwe taxibusjes de ene na de andere passagier verdwijnt, vijftien, twintig en nog blijven er opstappen alsof er zich ergens onderin een onzichtbare opslagruimte bevindt. De laatste passagier klapt de deur dicht en klemt zich vast aan het dak. Het zijn prachtige oude Volkswagen- of Bedfordbusjes… Het verkeer in Kinshasa is een heksenketel.
Nsele, het Chinese lustoord van Mobutu
Stomverbaasd loop ik onder de boog door van een Chinese toegangspoort. Groen en karmozijnrood glazuurwerk wisselt af met vergulde draakjes. Tussen het hoge gras door zie ik het Chinese paleis opduiken. Overal in Kinshasa voel ik de schaduw van Mobutu, de man die 32 jaar lang over dit land geregeerd heeft…
Nsele was Mobutu’s verboden stad, maar minder mysterieus dan die van de keizers in Peking. Hier werden op z’n Congolees grote feesten gehouden voor de uitverkorenen. Onmiddellijk rechts bevind zich de grote vergaderzaal. Mobutu presideerde er in een grote zetel als een traditioneel stamhoofd. Naast hem zijn vertrouwelingen en dan aan weerszijden aan lange tafels de ministers en secretarissen. Hoe verder van de chef, hoe lager in de pikorde.
Mobutu junior
De tijden veranderen of toch niet zoveel. Het lijkt wel of de politieke scène van Kinshasa bevolkt wordt door geesten uit het verleden. Joseph, de zoon van Kabila, president; Nzanga, de zoon van aartsvijand Mobutu, vice-premier; en de kinderen van Lumumba wachtend in de coulissen…
Nzanga Mobutu is een ‘light’ versie van zijn vader. Die liet journalisten vaak drie dagen wachten, ik word al na drie uren in zijn salon ontvangen. Nzanga is een mollige beer, een joviale man, maar dat was zijn vader ook als het hem zo uitkwam. Hij woont in een villa aan de rivier, netjes onderhouden, maar zonder overdreven luxe. In het salon prijkt een breedbeeld tv-scherm, aan de muur hangt een staatsieportret van zijn vader, met luipaardmuts…
“Ik weet wat je wil,” buldert Nzanga. “Mijn vader was veel meer dan het beeld dat er nu bij jullie over opgehangen wordt… De grote verdienste van Mobutu is die van de vader des vaderlands. Hij was een nationalist die Congo één hield en stabiliteit bracht… Ik ben trots op hem en zie hem graag. Zeker en vast.” Alsof Nzanga het belangrijk vindt om mij te overtuigen.
De pygmeeën van Kinshasa
“Daar zijn enkele buurten waar je best niet te lang blijft. Er lopen veel bandieten rond en straatkinderen.” De waarschuwing in mijn hotel was niet mis te verstaan toen ik vertrok naar Barumbu en Funa. De regen valt met bakken uit de lucht. Geen weer om een hond door te jagen, maar ik heb een afspraak met de pygmeeën… Ik kan mijn doel vinden op het gehoor. “De vrouwen dansen en maken muziek,” is me verteld. Zes kleine vrouwtjes dansen met wilde schokbewegingen. Hun gezicht is met oker ingesmeerd. Witte strepen over hun voorhoofd en kaken geven hen een dreigend voorkomen. Ze lachen, slaken kreten en klakken met hun tong. Op de grond zit een jongen verwoed op een houten klankkast met een gleuf in te kloppen. Zonder verpozen geeft hij het ritme aan voor de dans van de pygmeeën.
Mama Kilo Ewaki is de voorzitter van de autochtone vrouwen zoals ze zichzelf noemen. “Ons volk wordt als slaven behandeld. De bantoe’s verplichten hen op hun land te werken. De gemeenschappen leven gescheiden.” Zwarte apartheid! “Ze zeggen dat we vuil zijn en we zijn properder dan zij.” Mama Kilo is tegelijk boos en triest… “De onafhankelijkheid heeft voor ons niets veranderd.”
Tags: Dagboek