Dagboek: 1. Kalemie

5 reacties   |   reageer hier »   |   deel op:  

Aankomst in Afrika

Aankomst in Afrika

Het is warm, maar niet heet. Het kleeft als een vochtige doek aan mijn vel. Het ogenblik dat ik de airconditioning van het vliegtuig verlaat, omhelzen de Tropen mij, om me niet meer los te laten. Op de tarmac ruik ik de kerosine. En nog iets anders. Het zware aroma van bloemen of planten die ik niet kan thuisbrengen, de zoete weeë geur van compost en ontbinding. Overal zwoegen zwarte mannen, ze duwen en trekken om een voordelig plekje te veroveren aan de band waarop de bagage ronddraait. Ze ruiken. Zwarten hebben een andere lijfgeur dan blanken. Veel intenser, kruidiger, als een mengsel van onbekende specerijen, soms aantrekkelijk, soms afstotelijk. Zij vinden trouwens ook dat wij ruiken, naar dood vlees.

Rafiki

Met de Rafiki over het Tanganyikameer

Op het benedendek gelijkt de Rafiki meer op een gigantisch sardienenblik. De passagiers zijn op een natuurlijke wijze geordend, bij mekaar gekneld. Op het voorplecht zitten de jonge mannen die alleen reizen, samen. Ze discussiëren urenlang met luide stem. Ik kan nog niet inschatten wanneer de Congolezen écht ruzie maken. Ze lachen en grollen maar als ik hen iets vraag, volgt er een klaagzang over het bestaan. Eén van hen is een student. Hij komt uit Kisangani in het hart van Congo en is onderweg naar de universiteit in Lubumbashi, al twee weken lang. In Congo ga je niet zomaar even naar huis. Reizen wordt hier niet in afstand gemeten, maar in duur, in reistijd.

Kalemie, kerk

Kalemie, het oude Albertville

Het allereerste wat een bezoeker ziet in Kalemie is de kerk, die voor de blanken gebouwd was. Het is een elegant sprookjesachtig bouwsel halverwege de groene heuvel. Gebouwd door de missionarissen om de eeuwen te doorstaan torent de kerk boven de koloniale villa’s uit. Het lijkt wel een witte kies. De villa’s liggen kris kras verspreid. Van op afstand zijn ze van een droevige schoonheid. Albertstad werd vroeger geroemd als de parel van het Tanganyikameer; mij doet het denken aan de stadjes bij het Comomeer of aan de Italiaanse riviera met al zijn bloemenpracht. Maar wie van dichtbij kijkt ziet het verval, de verwaarlozing, het afbrokkelen zoals bij rotte tanden.

Kabubu

Kabubu, een traditioneel worstelgevecht

“De Vier Hoeken, daar moet je zijn. Op zondagnamiddag, want dan is het Kabubu.” … Een traditionele worstelpartij. “Je loopt geen enkele risico, dit is zoals een sportwedstrijd”, verzekert hij me.
Een bijeenkomst van Congolezen, zonder een kakofonie van geluiden, is onmogelijk. Dat heb ik al begrepen. Soms lijkt het alsof elk piepje, elke bromtoon en alle verklikkerssignalen tegelijk moeten afgaan. Ik word er bijwijlen helemaal gek van. Altijd weerklinkt ergens het overstuurde geruis van Congolese muziek of van religieuze gezangen. De zwarten lijken het zelfs niet op te merken. Alleen de stilte maakt hen onrustig. De Vier Hoeken worden overspoeld door een hels kabaal. Er staat een zee van mensen die roept, juicht, tiert, brult.

De kinderen van Mtoa

Een blanke is een kwetsbaar wezen in deze streken. Ik heb dan ook steeds mijn eigen voedsel mee en drinkwater in plastieken flessen. De lege flessen zijn erg gegeerd. Bij ons worden die weggegooid, voor hen heeft de fles meer waarde dan het water. Alles wordt hier gerecycleerd, een afvalberg is er niet in de brousse. De jonge vrouwen verdringen zich rond het afval. De kinderen likken gretig de olie en de restjes uit de lege sardienenblikjes. Tientallen kinderen volgen me joelend op mijn tocht door het dorp, blootsvoets.

Autowrak in Kalemie

Dichtgeslibte straten

Voor de kolonisatie waren er amper voertuigen op wielen in dit deel van Afrika. Uiteraard waren er dan ook geen wegen. Romeinse heirbanen, om legers of karren met handelswaar snel over grote afstand te verplaatsen, kenden ze niet. Pas toen de blanken de eerste auto’s invoerden, groeide de nood aan verharde wegen. In Kalemie is die prekoloniale toestand langzaam aan teruggekeerd… Zelfs de haven slibt steeds verder dicht door de erosie van de heuvels. Dan wordt dit een immens dorp waar nog alleen de vissers met hun prauwen in en uit varen. Als een soort onzinkbaar Atlantis gekneld tussen het oerwoud en het meer, bedolven onder de rode modder. De betonwegen in de stad uit de tijd van de kolonie liggen nu op veel plaatsen al een meter diep bedolven onder de smurrie.

Tags: Dagboek

5 reacties ↓

  • 1 André Tahon // 30 Mei , 2010 om 10:50

    Een "ancien" van Albertstad. De eerste aflevering van de film van Rudi Vranckx heeft me echt ontroerd en ik denk ... Lees meer ↓

  • 2 Léonard Michel // 9 Mei , 2010 om 10:56

    Heb zelf met mijn ouders in Congo, (=Lubumbashi en Kinshasa) gewoond,periode van na de "Indépendence"tot 1974. Mijn ouders zijn gebleven ... Lees meer ↓

  • 3 De baets josé // 3 Mei , 2010 om 23:09

    Kreeg al een voorsmaakje te zien op de persconferentie van 1 april , echt de moeite waard . José . ... Lees meer ↓

  • 4 Anne Debouck // 25 Apr , 2010 om 16:30

    Ik werkte als onderwijzeres voor de Vlaamse kinderen in het domein Filtisaf te Kalemie, tijdens het schooljaar '82-'83. Ik had ... Lees meer ↓

  • 5 Van Cauwenberghe Herman // 23 Apr , 2010 om 22:21

    We kijken er naar uit voor deze reportage.Het is 25jaar geleden dat we er waren,(filtisaf) nooit gedacht daar nog wat ... Lees meer ↓

Reageer!